Van begin naar einde.
I.
Hij: En wat brengt jou hier.
Zij: Hoi. Anne.
Hij: Tom. Leuke schoenen.
Zij: Dank je, Tom.
Hij: Graag gedaan Anne. Leuk jurkje ook.
Zij: Zit jij mij te versieren?
Hij: Ik zou niet durven. Nooit.
Zij: Je zit me te versieren.
Hij: Wil je wat drinken?
Zij: Lekker, Tom. Wodka.
II.
Zij: Richard Dreyfuss. Die guitige oogjes.
Hij: Die vent is tachtig.
Zij: Viagra. Jij?
Hij: Ik denk dat deze twee bij Judi Dench nog wel mooi zijn.
Zij: Zitten ze er nog?
Hij: Ik kneed ze toch zacht en liefdevol.
Zij: Ik zou tijdens de thee met Judi mijn handen thuis houden.
Hij: Met Judi zou ik aan de cocktails gaan.
Zij: En dan in haar borsten knijpen?
Hij: Werkte bij jou ook.
III.
Hij: Frummel, proef deze.
Zij: okidoki.
Hij: Dat zoute van die schimmelkaas met dat zoete! Toch?
Zij: En dat voor maar veertig euro.
Hij: Mag best, op dit soort dagen.
Zij: Had je dan niet wat anders aan kunnen trekken…
Hij: Ik dacht dat je deze het mooist vond.
Zij: Niet zo mooi als deze. Van harte, schat.
Hij: Ik… Ik heb niks voor jou.
Zij: Doe me nog maar zo’n pruim dan.
IV.
Hij: Ik ben er nog niet aan toe.
Zij: Je mag ook eerst toekijken.
Hij: Snap ik. Fijn, maar…
Zij: Ik zal heel erg hier mee spelen…
Hij: Lotte…
Zij: En hier zachtjes bijten. En dan komt zij erbij…
Hij: Sjezus, Lot. Goddelijk, maar ik wil echt niet.
Zij: Hoezo niet?
Hij: Ik wil een man.
Zij: Echt niet. Wat pervers.
V.
Hij: Geweldig. Top. Alleen dat refrein he?
Zij: Hoezo dat refrein? G mineur.
Hij: Is dit Idols? We zijn rockers hoor!
Zij: Echte rockers, schatje.
Hij: Ik ben je schatje niet.
Zij: Hoezo ik ben je schatje niet.
Hij: We staan op het podium. Dit is werk.
Zij: Werk.
Hij: Kunnen we het alsjeblieft in B spelen.
Zij: Volgens mij wil ik koffiepauze.
VI.
Hij: Ben je nou nog steeds boos op haar?
Zij: Ja Pieter! Zo vreemd is dat toch niet?
Hij: Láát haar toch! Haar eerste keer!
Zij: Ja, en.
Hij: Waarom draait het nou weer om ons?
Zij: Het is ook jouw vrije avond hoor. Hier linksaf.
Hij: Ja.
Zij: Ja.
Hij: En ze speelde fantastisch. Geweldig toch?
Zij: Meerijden naar huis had ze best gekund. Egoist.
VII.
Hij: En hoe zit je dinsdag.
Zij: Kunnen we daar morgen over bellen?
Hij: Jezus, Ka-rin…
Zij: Jezus, Lau-rens. Ja sorry, ik heb mijn agenda niet bij me.
Hij: Wie is dat? Met wie ben je?
Zij: Bij een vriend. Vriendin.
Hij: Als Thomas daar is, kom ik hoogspersoonlijk-
Zij: Het is Thomas niet!
Hij: Prima. Hoe zit je morgen.
Zij: Ik bel je nog.
VIII.
Zij: Als je het hoofdje nou zó vastpakt…
Hij: Hij bijt!
Zij: Hij bijt niet. Dat is aandacht vragen.
Hij: Gadver, kijk die drollen dan.
Zij: Dat zijn keutels, Nou hup, mes aan…
Hij: Wat is dat zacht! Maar wat een gedoe zeg!
Zij: Zíj hoeven maar drie keer per jaar. Ik elke week hé?
Hij: Dat wil je zelf. Dat is anders.
Zij: Nee, jij wil ‘s avonds tegen stoppels aanschurken.
Hij: Touché. Volgende?
IX.
Zij: Lieverd…
Hij: Verdikkeme Lon, ik schrok.
Zij: Het is de vijftiende.
Hij: Lonneke, ik probeer te slapen.
Zij: Ik ben zevenendertig vijf.
Hij: Romantisch. Kan het… morgen niet?
Zij: Leuk. Weer een maand wachten dus.
Hij: Morgenochtend, voor de Intratuin. Beloofd. Na het ontbijt.
Zij: Alleen als het niet teveel moeite is hoor.
Hij: Welterusten, Lon.
X.
Zij: Goed. De klassieken.
Hij: Neem jij maar. de LP’s ook. Op Bach na.
Zij: Dank je. Ze zijn natuurlijk ook van mij, maar goed.
Hij: Acda & De Munnik.
Zij: Hebben we niet.
Hij: Nee, dat liedje. CD van jou, CD van mij.
Zij: Leuk.
Hij: Ik mis je, Lola.
Zij: Kunnen we door? De boekenkast moet ook nog.
Hij: Neem maar. Neem alles maar.